sprenkel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsprɛŋkəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. druppel die ergens op valt
    Maak er appelmoes bij en een witloofsla met muizenoren (veldsla), noten en een sprenkel porto (plus olie en azijn).
  2. kookkunst (kookkunst) kleine hoeveelheid die ergens op gestrooid wordt
    Voeg een eetlepel avocado-olie en de geroosterde sesamolie, de uien en een sprenkel zout toe en bak ongeveer drie minuten of tot de uien zacht zijn.
  3. verouderd (verouderd) heel klein gloeiend brokje
    Het open vuur kraakte, soms uitspattend in een sprenkel over den vloer; de vlammen laaiden lustig op, (…)
zelfstandig naamwoord
  1. jachttaal (jachttaal) door een gespannen veer dichtklappende klem om dieren mee te vangen
    Nee, het woord klem, klemmetje kenden we niet. Wel had je een rattenklem, of een sprenkel.
  2. scheepvaart (scheepvaart) opstaande steun waarover het touw wordt geleid waarmee de mast wordt opgezet of gestreken
    Zelf had ik een sprenkel gemaakt omdat wij altijd de mast moesten strijken en ik dit in mijn eentje wilde kunnen doen.
  3. molenaarsambacht (molenaarsambacht) opstaande steun midden op een voeghout die bovenaan weer verbonden is met de beide uiteinden van het voeghout door ijzeren staven die strakker kunnen worden gespannen en zo het doorbuigen van het voeghout voorkomenZie: .
  4. valkerij (valkerij) verplaatsbare zitplaats voor een roofvogel in de vorm van een boog
    In de natuur zitten roofvogels op platte vlakke (bijvoorbeeld rotsen) en in bomen. Daarom kiest de valkenier volgens het soort vogel of hij hem op een blok (plat vlak) of een sprenkel. (imitatie van een tak) zal zetten.
  5. verticale staaf als onderdeel van een constructie
    {{ouds

Etymologie

*[B] afgeleid van spring