spreuk

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kort, kernachtig, zinrijk gezegde
    Zijn spreuken genieten grote bekendheid.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands sprōke, sprooc ‘gezegde, kort verhaal, gedicht’, uit Oergermaans *spruki, ablautend verbaalabstractum bij *sprekan-, waarvoor zie spreken. Nevenvorm van sproke. Evenals Nederduits Spröök ‘gezegde’ en Duits Spruch ‘gezegde; geklets; dictum (v.e. vonnis)’.

Vertalingen

Engelsaphorism, proverb
Spaansaforismo, dicho, máxima