sproeier
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) apparaat om mee te sproeien
- iemand die sproeit
- (werktuigbouwkunde) deel van een carburateur
- sproeikop
Etymologie
* van sproeien
Vertalingen
Spaansboquilla, eyector, manguera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek