spuit
mannelijk/vrouwelijk (de)/spœy̯t/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- nauwe buis bedoeld om onder druk een vloeistof eruit naar buiten te laten schieten.Uit die spuit kwam alleen maar modder.
- voornamelijk verkleinwoord: een injectie.Ze hebben de hond een spuitje gegeven.
- injectiespuit
Vertalingen
Engelsnozzle, syringe
Spaansmanga, inyector
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek