spuwen
/'spyʋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (formeel) speeksel met vaart buiten de mond doen komenHij spuwde op de grond van minachting.
- (ov) water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komenDe geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands spīen, spijen, spūwen, spouwen, ontwikkeld uit Oergermaans *spīwan-, dat teruggaat op Indo-Europees *spti(e)uH- ‘spuwen’, waarbij horen ook Latijn spuere, Litouws spiáuti en Servo-Kroatisch pljȕvati. Evenals Nederduits spe’en, spien, Duits speien en Fries spije. Doublet van spugen.
Uitdrukkingen
- Iemand op zijn vestje spuwen — een standje geven en ongenoegen over iemand uiten
- Zijn gal spuwen — iets afkeuren en dat duidelijk laten merken
Vertalingen
Engelsspit
Spaansescupir, esputar, expectorar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek