spuwen

/'spyʋə(n)/

Wat is de betekenis van spuwen?

spuwen betekent: (inerg) (formeel) speeksel met vaart buiten de mond doen komen

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, formeel (inerg) (formeel) speeksel met vaart buiten de mond doen komen
  2. ov (ov) water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komen

Voorbeelden van "spuwen" in een zin

  • Hij spuwde op de grond van minachting.
  • De geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen.

Betekenis en uitleg van spuwen

Spuwen betekent het krachtig uitwerpen of naar buiten brengen van speeksel of andere vloeistoffen uit de mond. Het kan gebeuren uit irritatie, afkeer of als reactie op misselijkheid, maar ook als een speelse actie, zoals bij sommige sportactiviteiten.

Je gebruikt het woord 'spuwen' vaak in situaties waarin iemand iets met kracht uit de mond verwijdert, zoals bij braken of het uitspuwen van kauwgom. Het kan ook een informeel of zelfs humoristisch tintje hebben, bijvoorbeeld wanneer kinderen met elkaar spelen en elkaar uitdagen om te spuwen. In sommige gevallen kan het ook een teken zijn van verzet of afschuw, zoals iemand die iets niet kan verdragen.

Voorbeelden

  • Na het eten van die zure snoepjes begon hij te spuwen van de vieze smaak.
  • Tijdens de wedstrijd spuwde de atleet zijn waterfles leeg over zijn hoofd om af te koelen.
  • De hond spuugde zijn speeltje uit, alsof hij het zat was en verder wilde spelen.

Woordoorsprong

Het woord 'spuwen' komt van het Oudnederlands 'spūwen', wat ook 'uitspuwen' betekent. Het heeft verwantschap met het Engelse 'spit'.

Veelgestelde vragen over spuwen

Wat is de betekenis van spuwen?

spuwen betekent: (inerg) (formeel) speeksel met vaart buiten de mond doen komen

Hoeveel betekenissen heeft spuwen?

spuwen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Wat zijn synoniemen van spuwen?

Synoniemen van spuwen zijn: spugen, tuffen, fluimen, spouwen, spijen.

Hoe gebruik je spuwen in een zin?

Voorbeeld: “Hij spuwde op de grond van minachting.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands spīen, spijen, spūwen, spouwen, ontwikkeld uit Oergermaans *spīwan-, dat teruggaat op Indo-Europees *spti(e)uH- ‘spuwen’, waarbij horen ook Latijn spuere, Litouws spiáuti en Servo-Kroatisch pljȕvati. Evenals Nederduits spe’en, spien, Duits speien en Fries spije. Doublet van spugen.

Uitdrukkingen

  • Iemand op zijn vestje spuweneen standje geven en ongenoegen over iemand uiten
  • Zijn gal spuweniets afkeuren en dat duidelijk laten merken

Vertalingen

Engelsspit
Spaansescupir, esputar, expectorar