spuwen

/'spyʋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, formeel (inerg) (formeel) speeksel met vaart buiten de mond doen komen
    Hij spuwde op de grond van minachting.
  2. ov (ov) water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komen
    De geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands spīen, spijen, spūwen, spouwen, ontwikkeld uit Oergermaans *spīwan-, dat teruggaat op Indo-Europees *spti(e)uH- ‘spuwen’, waarbij horen ook Latijn spuere, Litouws spiáuti en Servo-Kroatisch pljȕvati. Evenals Nederduits spe’en, spien, Duits speien en Fries spije. Doublet van spugen.

Uitdrukkingen

  • Iemand op zijn vestje spuweneen standje geven en ongenoegen over iemand uiten
  • Zijn gal spuweniets afkeuren en dat duidelijk laten merken

Vertalingen

Engelsspit
Spaansescupir, esputar, expectorar