stampen

/ˈstɑmpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) met kracht de voet op de grond doen belanden
    Hij stampte van woede.
  2. ov (ov) iets fijn maken door er een zwaar voorwerp op te laten belanden
    Zal ik die muisjes stampen?
  3. inerg, luchtvaart (inerg) (luchtvaart) Met stampen wordt in de luchtvaart een beweging om de dwars-as aangeduid.
  4. inerg, scheepvaart (inerg) (scheepvaart) van een schip een knikkende beweging maken in de lengterichting van het schip
    De storm deed het schip stampen en slingeren.
  5. ov, onderwijs (ov) (onderwijs) door herhaald lezen of uitspraken in het geheugen prenten
    Kinderwetje van Van Houten: 1874. Generaties Nederlandse scholieren zullen zich die combinatie van feit en jaartal herinneren. Immers: dankzij deze wet mochten ze nu feiten en jaartallen stampen, in plaats van werken in een fabriek.

Etymologie

**[5] (verkorting) van "in het hoofd stampen"

Vertalingen

Engelscrush, pound, tango
Spaanspatear, atabalear, machacar