stappen
/ˈstɑpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zettenWij stapten op de trein.Snel wil ik uit bed stappen voordat Hannah wakker wordt, maar mijn spieren weigeren mee te werken.
- een avondje uit gaanWe zijn gisteren wezen stappen.
Etymologie
*van Middelnederlands "stappen", in de betekenis van ‘lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Uitdrukkingen
- naar de rechter stappen — een gerechtelijke procedure tegen iemand opstarten
- in het huwelijksbootje stappen — gaan trouwen
- uit het leven stappen — zelfmoord plegen
- Met het verkeerde been uit bed stappen — een slecht humeur hebben
Vertalingen
Engelspace, step
Duitsschreiten, ausgehen, bummeln
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek