stappen

/ˈstɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
    Wij stapten op de trein.
    Snel wil ik uit bed stappen voordat Hannah wakker wordt, maar mijn spieren weigeren mee te werken.
  2. een avondje uit gaan
    We zijn gisteren wezen stappen.

Etymologie

*van Middelnederlands "stappen", in de betekenis van ‘lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Uitdrukkingen

  • naar de rechter stappeneen gerechtelijke procedure tegen iemand opstarten
  • in het huwelijksbootje stappengaan trouwen
  • uit het leven stappenzelfmoord plegen
  • Met het verkeerde been uit bed stappeneen slecht humeur hebben

Vertalingen

Engelspace, step
Duitsschreiten, ausgehen, bummeln