stem
mannelijk/vrouwelijk (de)/stɛm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) geluid dat onder meer door het trillen van de menselijke stembanden wordt geproduceerdDe menselijke stem is uniek in de biologie.’Wie weet er een mop?’ riep een aarzelende stem. Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden.
- (communicatie) geluid dat een mens bij het spreken voortbrengtJe herkent hem aan zijn donkere stem.Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.
- (muziek) geluid dat een mens bij het zingen voortbrengtEen countertenor met zijn hoge stem.
- (muziek) elk van de partijen van een vocaal of instrumentaal muziekstukDe eerste stem van een partituur is zeer gegeerd omwille van de solo’s.
- (muziek) elk van de reeksen orgelpijpen met een eigen klankkleur, die de organist desgewenst kan laten meeklinkenHoeveel stemmen heeft dit kerkorgel?
- (sociologie) mondeling of schriftelijk kenbaar gemaakte wilsuiting die bij het nemen van een beslissing of een verkiezing, medebepalend isDe stem van de dertiende partijgenoot was beslissend voor de herverkiezing.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "stemme" van Oudnederlands "stimma", in de betekenis van ‘door spreken voortgebracht geluid’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- de stem van het geweten — het eigen geweten laten spreken
- een stem in het kapittel hebben — in een zaak stemgerechtigd zijn
- de stemmen zwijgen — onbesliste uitslag bij een stemming
Vertalingen
Engelsvoice, voice, voice
Fransvoix, voix, voix musicale
DuitsStimme, Stimme, Stimme
Spaansvoz, voto
Italiaansvoce, voto
Turksses
Poolsgłos, głos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek