stomheid
vrouwelijk (de)/ˈstɔmhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zaken die gebeuren door domheid en/of onoplettendheidDe dronken man begin een grote stomheid door tegen de deur van de burgemeester aan te plassen.
- het dom zijnHet was weer eens zijn stomheid waardoor hij in de problemen kwam.
- het stom zijn (niet spreken)
Etymologie
* afgeleid van stom
Uitdrukkingen
- met stomheid geslagen — heel erg verbaasd zijn
Vertalingen
Fransmutité
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek