stiefzuster

vrouwelijk (de)/ˈstifsʏstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dochter uit een voorafgaand huwelijk van iemands tweede vader of moeder
    Zijn stiefzuster was een stuk ouder, maar ze konden het goed met elkaar vinden.
    Áh, nou, maar het is anders een prachtig verhaal'reageerde hij met een brede grijns. 'De mooie onderdrukte maagd die naar het koninklijk paleis komt, de jaloerse stiefzusters, het glazen muiltje dat niet past...'
  2. dochter uit een later huwelijk van iemands eigen vader of moeder
    Toen zijn vader hertrouwde kreeg hij zelfs nog een stiefzuster.

Etymologie

*afgeleid van zuster