stijf
/stɛif/
Wat is de betekenis van stijf?
stijf betekent: niet gemakkelijk te vervormen of te buigen
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- niet gemakkelijk te vervormen of te buigen
- ongemakkelijk in de omgang
- helemaal, volkomen, totaal, compleet
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stijven
- gebiedende wijs van stijven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stijven
Voorbeelden van "stijf" in een zin
- Een stalen balk is stijf genoeg om dit gewicht te dragen.
- Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.
- Hij is zo stijf als een hark!
- Ik stijf.
- Stijf!
Etymologie
erfwoord Ontwikkeld uit Middelnederlands stijf, stif “onbuigzaam”, uit Germaans *stīfa-, verwant aan Engels stiff, Duits steif.
Vertalingen
Deensstiv
Duitssteif
Engelsrigid, stiff
Fransraide, rigide
nostiv
papsteif
Spaansrígido, con rigor, tieso
Zweedsstyv
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek