stokvis

mannelijk (de)/ˈstɔkfɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. visserij, voeding (visserij) (voeding) gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige (orde ) vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
    Heb je de stokvis al gebeukt?
    Advocaatje ging op reis, tiereliereliere...Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tierelierelom...'t Graatje schoot hem in zijn keel, tiereliereliere, etc
    Alleen al het inkopen doen voor de kerstmaaltijd. En het je herinneren hoe het zat met dadels en speculaas, het dopen van stukjes brood in hambouillon, varkenspootjes, stokvis met piment en witte saus op Zweedse wijze of spek in eigen vet, mosterd en doperwtenpuree op Noorse wijze, welke soorten noten verplicht waren — en op het laatste moment op kerstavond zelf notenkrakers aanschaffen —, rolham, haring en rijstebrij.

Etymologie

*van Middelnederlands "stocvisch", op te vatten als , in de betekenis van ‘gezouten vis’ voor het eerst aangetroffen in 1366

Vertalingen

Engelsstockfish
Spaansbacalada, bacalao, bacalao seco