stom
stɔm
Wat is de betekenis van stom?
stom betekent: geluidloos
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- geluidloos
- niet in staat te spreken
- weinig intelligent
- ergerlijk, vervelend, irritant
- saai en waardeloos, niet cool
Voorbeelden van "stom" in een zin
- Een stomme film.
- Het maakte hem stom van verbazing.
- Eerst dacht ik dat hij misschien verlegen of zelfs stom was, maar opeens schreef hij een korte vraag in een klein notitieblokje en vulde het aan met wat eenvoudige gebaren.
- Zelf belde ik ook niet, want ik schaamde me en voelde me zo'n stomkop - echt een stom kind, zoals Cynth die avond ongetwijfeld tegen Sam had gezegd.
- Waarschijnlijk gaf ze haar loon uit aan haarlak en pulpromannetjes, maar was ze nog te stom om die zelfs maar te lezen.
Etymologie
In de betekenis van ‘niet kunnende spreken, dom’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Duitsstumm, lahm, dämlich, blöd
Engelsstupid, silent, mute, lame
Fransnaze, nul, muet, bête
papmuda
Spaanssoso, estólido, mudo, zote, aburrido
wabiesse, mouwea
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek