stormvloed
mannelijk (de)/ˈstɔrᵊmˌvlut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- combinatie van tegelijkertijd storm en vloed, het zeewater komt dan extra hoogTijdens de stormvloed van 1953 zijn grote delen van Zeeland en Zuid-Holland overstroomd.
Vertalingen
Fransonde de tempête
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek