stoten

/ˈstotə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een korte snelle beweging (weg)duwen
    De opspringende hond stootte hem van zijn krukje.

Etymologie

* In de betekenis van ‘een duw geven, schokken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • met horten en stoten

Vertalingen

Engelsbump, butt, thrust
Franspousser
Duitsstoßen
Spaansempujar