stoter
mannelijk (de)/ˈstotər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets of iemand die stoot
- stamper van een bloem
- oude munt met een waarde van 12,5 cent
Etymologie
* van stoten
Vertalingen
Engelspusher, ram, cutter
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* van stoten