stralen
/ˈstralə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) straling uitzendenDe zon straalt bijzonder helder vandaag.
- (inerg) licht weerkaatsenDe maan straalt bijzonder helder vannacht.
- (inerg) een heel blije uitdrukking op het gezicht hebbenNa zijn spectaculaire prestatie straalde hij helemaal.Zijn hele wezen scheen te stralen van plezier. {{Aut|Herzen, Frank' Terwijl ze me tegen zich aan drukt, zie ik Nikki stralen en Gijs vertederd glimlachen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘zakken voor examen’ voor het eerst aangetroffen in 1935
Vertalingen
Engelsradiate, shine, shine
Fransbriller, briller, briller
Duitsstrahlen, scheinen, strahlen
Spaansbrillar, radiar, resplandecer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek