stram
/strɑm/
Wat is de betekenis van stram?
stram betekent: van gewrichten en spieren dat ze stijf zijn (door kou, reumatiek of ouderdom)
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- van gewrichten en spieren dat ze stijf zijn (door kou, reumatiek of ouderdom)
Voorbeelden van "stram" in een zin
- Misschien om hun danslustige koning te eren maakten ze twee aan twee een uitgelaten dansje — wat stram, toegegeven, maar ze hadden duidelijk schik met elkaar.
Etymologie
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘stijf’ voor het eerst aangetroffen in 1550
Vertalingen
Engelswooden, rigid, stiff
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek