stranden
/ˈstrɑndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) aan de grond vastlopenHet schip strandde juist voor de havengeul.
- niet meer verder kunnenDe jongen naast me deed zijn koplamp aan waardoor de in de muur gekraste namen zichtbaar werden: hier waren al eerder mensen gestrand.
Vertalingen
Engelsrun ashore, run aground
Franséchouer
Duitsstranden
Spaansabarrancar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek