streektaal
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈstrektal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) één of meer taalvariëteiten die in een bepaald gebied gesproken worden en onderling sterk gelijkenDoor de aanwezigheid van dialectcontinua is het meestal een heel lastige, zo niet een betekenisloze bezigheid om de grenzen van een streektaal te proberen vast te stellen.
- (taalkunde) één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregenHet Nedersaksisch en het Limburgs zijn door de Nederlandse overheid erkend als streektaal.
- (taalkunde) dialect
Vertalingen
Engelsregional language
Franslangue régionale
DuitsRegionalsprache, Regiolekt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek