streektaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈstrektal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) één of meer taalvariëteiten die in een bepaald gebied gesproken worden en onderling sterk gelijken
    Door de aanwezigheid van dialectcontinua is het meestal een heel lastige, zo niet een betekenisloze bezigheid om de grenzen van een streektaal te proberen vast te stellen.
  2. taalkunde (taalkunde) één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
    Het Nedersaksisch en het Limburgs zijn door de Nederlandse overheid erkend als streektaal.
  3. taalkunde (taalkunde) dialect

Vertalingen

Engelsregional language
Franslangue régionale
DuitsRegionalsprache, Regiolekt