strijd
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een handgemeenWie de strijd tussen die twee broers zou winnen was nog niet duidelijk.
- een militair treffen, kamp, veldslagDe strijd tussen de Israëli en de Palestijnen is nog niet gestreden.Ridders oefenden hiervoor in een toernooi, dus er ligt een utilitair principe aan ten grondslag, maar er was ook een spelelement: strijders namen elkaar bij de voorbereidingen op de strijd de maat en hielden onderlinge wedstrijden.
- een politieke twistDe basis daarvan lag waarschijnlijk in de strijd voor het vrouwenkiesrecht, waaraan ze zich hadden geëngageerd sinds ze tieners waren.
- een ruzieMaar precies die kennis en dat geregeld samenzijn, voegde ze daaraan toe, 'betekent dat broers en zussen eveneens in een uitstekende positie verkeren om elkaar te plagen, te irriteren, en de strijd met elkaar aan te gaan' - bijna 30 procent van de interacties tussen broers en zussen in een vroege studie bestond uit ruzie.Juist deze verspreiding voedde de regelmatig oplaaiende strijd over wie nu de uitvinding en oorsprong van het voetbal mocht opeisen.
- sportwedstrijdDe strijd ging formeel tussen baanderheren, hoge edelen die een equipe om zich heen hadden verzameld van bacheliers, jonge ridders die specialisten waren in de sport.In het zeldzame geval dat de strijd onbeslist leek moest een jury van baronnen uitkomst bieden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gevecht’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Uitdrukkingen
- dat is in strijd met — dat is in tegenspraak met
Vertalingen
Engelsfight, dispute, quarrel
DuitsKampf, Streit, Kampf
Spaanslucha, acción, batalla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek