strobos

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bundel gedroogd stro
    Toen nam hij de strobos ter hand, die voor de dorpel van de deur moest liggen, en met die strobos veegde Jenneskes de lamp van de tafel. Verbouwereerd bleef Jenneskes even staan: toen brandde echter de strobos als een fakkel, Jenneskes wierp hem van zich, en begon zijn eigen kleren te doven. De Telegraaf (1949)–Edmond Nicolas [https://www.dbnl.org/tekst/nico002broc01_01/nico002broc01_01_0016.php Brocaat en boerenbont. Schering en inslag van een fabrikantenleven]