stront

mannelijk (de)/strɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uitgescheiden afvalstoffen van mens of dier
    Omdat hij nog stront aan z'n schoenen had, stonk het vreselijk in de kamer.
  2. figuurlijk, vulgair (figuurlijk) (vulgair) zeer problematische situatie
    Als je zoveel geld leent, zit je bij een beetje tegenslag al gauw in de stront.
  3. pejoratief (pejoratief) versterkt als eerste deel van een samenstelling een negatieve eigenschap die het tweede deel aangeeft
    Hij was stronteigenwijs en luisterde niet naar de adviezen van meer ervaren vissers.

Etymologie

*(erfwoord), ontwikkeld uit Middelnederlands "stront", uit Germaans *strunta-, vergelijk Oudfries "stront" “stront” (modern Fries "stront"); Engels "strunt" “staartstomp” (ook geleend in Frans als "étron"), in de betekenis van “drek” voor het eerst aangetroffen in 1191

Uitdrukkingen

  • in de stront zitten
  • stront aan de knikker
  • zak in de stront!

Vertalingen

Engelsshit
Fransétron, merde
DuitsScheiße, Kacke
Spaansmierda, excremento