poep

mannelijk (de)/pup/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uit de darmen uitgescheiden afvalstoffen van mens of dier
    Hij stapte met zijn schoen in de poep van een hond.
  2. spreektaal (spreektaal) onzin
    Jij praat poep.
  3. pejoratief (pejoratief) iets waardeloos of walgelijks gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden om het rechterdeel een (meer) negatief karakter te geven
    Die stomme poepzak zit zich weer vol te vreten.
  4. heel erg, gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel
    Die merkkleding is poepduur.
zelfstandig naamwoord
  1. achterwerk, bips
    Vindt u mijn poep niet te dik in deze rok?
zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief, geschiedenis (pejoratief) (geschiedenis) werkzoekende uit Westfalen
    Hans Poep en staet het boerten niet wel aenAl is hij een Boer, hy en can gheen boert verstaen.
  2. pejoratief, geschiedenis (pejoratief) (geschiedenis) iemand uit Duitsland
  3. pejoratief, geschiedenis (pejoratief) (geschiedenis) iemand die buiten de eigen groep staat

Etymologie

*[C]: herkomst onzeker, mogelijk van "Bube" "knaap", mogelijk beïnvloed door de pejoratieve betekenis "stront", aangetroffen vanaf het begin van de 17e eeuw (zie bijvoorbeeld vindplaats hieronder)

Vertalingen

Engelspoop, butt, ass
Franscaca, merde, cul
DuitsKot
Spaanscaca, defecación, excremento
Poolskupa