schijt
/sxɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vaste uitwerpselenHij trapte in de schijt.
- ergens schijt aan hebben: zich er niets van aantrekkenIk heb schijt aan hun kritiek (Het kan me niet schelen wat zij aan te merken hebben)
Vertalingen
Engelsshit
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek