schijt

/sxɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vaste uitwerpselen
    Hij trapte in de schijt.
  2. ergens schijt aan hebben: zich er niets van aantrekken
    Ik heb schijt aan hun kritiek (Het kan me niet schelen wat zij aan te merken hebben)

Vertalingen

Engelsshit