lak
/lɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel op oppervlakken als hout, metaal en verf is aangebracht
- (verouderd) iets wat verkeerd of onwaar is
Etymologie
*[2] van Middelnederlands "lac", op te vatten als "laken" zonder de uitgang -en
Uitdrukkingen
- ergens lak aan hebben
Vertalingen
Engelslacquer, lac
Franslaque
Spaanslaca
Italiaanslacca
Portugeeslaca
Arabischطلا
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek