strop

Wat is de betekenis van strop?

strop betekent: lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangen
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets wat tot groot verlies leidt, bijv. in de zakelijke wereld; tegenslag

Voorbeelden van "strop" in een zin

  • De strop is later vervangen door de elektrische stoel en de dodelijke injectie.
  • Daar had hij een grote strop aan.
  • Een financiële strop.

Betekenis en uitleg van strop

Een strop is een soort lus of band die vaak wordt gebruikt om iets of iemand vast te binden. Denk aan een touw dat je om een object heen draait om het te verankeren of om iets steviger te maken.

Het woord 'strop' wordt vaak gebruikt in zowel praktische als figuurlijke zin. In de bouw of bij het werken met materialen kan een strop helpen om dingen op hun plaats te houden. Figuurlijk kan het ook verwijzen naar een benarde situatie waarin iemand zich gevangen voelt, zoals in de uitdrukking 'in de strop zitten'.

Voorbeelden

  • De timmerman gebruikte een strop om de balken stevig te fixeren tijdens de constructie.
  • Na de mislukte presentatie zat hij letterlijk in de strop, twijfelend over zijn toekomst in het bedrijf.
  • Met een simpele strop kon ze de dozen eenvoudig op elkaar stapelen zonder dat ze omvielen.

Woordoorsprong

Het woord 'strop' komt van het Middelnederlandse 'strope', wat verwijst naar een lus of band. Dit is verwant aan het werkwoord 'stropen', wat betekent iets vastbinden.

Veelgestelde vragen over strop

Wat is de betekenis van strop?

strop betekent: lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangen

Hoeveel betekenissen heeft strop?

strop heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je strop in een zin?

Voorbeeld: “De strop is later vervangen door de elektrische stoel en de dodelijke injectie.

Etymologie

*Waarschijnlijk via van Latijn stroppus/stropus. In de betekenis van ‘strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelsnoose, abortion, loss
Spaanschasco, fiasco, fracaso