stropers

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈstropɛrs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) apparaat dat afgemaaide graanstengels samenperst voor transport en opslag
    De dorsmachine wordt aangedreven door een locomobiel en is nog niet voorzien van een stropers die het stro tot balen perst.

Etymologie

*[B] "stroper" met de uitgang -s