stroppen
Betekenis
werkwoord
- (intr) dichtsnoeren (met een touw)De aardappelzak werd goed dichtgestropt, om de aardappelen niet te verliezen.
- (intr) verhinderen, blokkeren, de doorgang verhinderen (met een touw)De kinderen hebben het jongehuwde paar gestropt.
- (intr) (onbedoeld) bedriegenZijn we d'er aan gestropt, we hebben toch een moment van plezier gehad.
Etymologie
* In de betekenis van ‘blijven steken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1851
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek