struik

mannelijk (de)/strœyk/

Wat is de betekenis van struik?

struik betekent: een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden

Voorbeelden van "struik" in een zin

  • Hij verdween in de struiken.
  • Toen ik de laatste scheerlijn de harde grond in stak, zag ik tot mijn verbazing Goldie verderop onder een struik liggen.

Betekenis en uitleg van struik

Een struik is een laagblijvende, houtachtige plant die vaak meerdere takken heeft en meestal niet hoger wordt dan vijf meter. Denk aan een plant die je in tuinen of parken ziet, vaak met bladeren, bloemen of vruchten die aantrekkelijk zijn voor dieren en mensen.

Het woord 'struik' gebruik je vaak in de context van tuinieren of het beschrijven van natuurgebieden. Struiken kunnen dienen als decoratie, privacy of zelfs als voedselbron voor vogels en insecten. Ze zijn veelzijdig en komen in verschillende soorten en maten voor, wat zorgt voor veel mogelijkheden in landschapsontwerp.

Voorbeelden

  • In de achtertuin staat een mooie struik met kleurrijke bloemen die elke lente tot bloei komt.
  • Tijdens onze wandeling door het bos zagen we een struik vol met bessen, perfect voor een snack.
  • De heg, die we als struik hadden geplant, groeit snel en biedt nu een goede beschutting tegen de wind.

Woordoorsprong

Het woord 'struik' stamt van het Middelnederlandse 'struic', wat verwijst naar een kleine, bossige plant. Het is verwant aan woorden in andere Germaanse talen die soortgelijke planten beschrijven.

Veelgestelde vragen over struik

Wat is de betekenis van struik?

struik betekent: een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden

Welk woordgeslacht heeft struik?

struik is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van struik?

Synoniemen van struik zijn: heester.

Hoe gebruik je struik in een zin?

Voorbeeld: “Hij verdween in de struiken.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands struuc ‘boomtronk; afgehouwen deel, geknot lichaamsdeel’, ontwikkeld uit Oergermaans *strūka- ‘boomstomp, stronk’, bij Indo-Europees *streug- ~ *streuk-, waartoe ook behoren Litouws strùgas ‘kort, afgeknot’ en Lets strūkuls ‘ijspegel’, uitbreiding van de wortel *(s)ter(h₁)- ‘stijf, star zijn’, waarvoor zie star. Evenals Nederduits Struuk, Duits Strauch en Fries strûk; naast Zweeds dial. strug ‘twist’. Verwant ook met stronk, strobbe.

Vertalingen

Engelsshrub, bush
Fransarbuste
DuitsStrauch
Spaansarbusto
Italiaansarbusto
Russischкуст
Arabischشُجَيْرَة
Poolskrzew, krzak