struik

mannelijk (de)/strœyk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden
    Hij verdween in de struiken.
    Toen ik de laatste scheerlijn de harde grond in stak, zag ik tot mijn verbazing Goldie verderop onder een struik liggen.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands struuc ‘boomtronk; afgehouwen deel, geknot lichaamsdeel’, ontwikkeld uit Oergermaans *strūka- ‘boomstomp, stronk’, bij Indo-Europees *streug- ~ *streuk-, waartoe ook behoren Litouws strùgas ‘kort, afgeknot’ en Lets strūkuls ‘ijspegel’, uitbreiding van de wortel *(s)ter(h₁)- ‘stijf, star zijn’, waarvoor zie star. Evenals Nederduits Struuk, Duits Strauch en Fries strûk; naast Zweeds dial. strug ‘twist’. Verwant ook met stronk, strobbe.

Vertalingen

Engelsshrub, bush
Fransarbuste
DuitsStrauch
Spaansarbusto
Italiaansarbusto
Russischкуст
Arabischشُجَيْرَة
Poolskrzew, krzak