struisvogel

mannelijk (de)/ˈstrœysfoɣəl/

Wat is de betekenis van struisvogel?

struisvogel betekent: (loopvogels) , grote loopvogel, die niet kan vliegen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. loopvogels (loopvogels) , grote loopvogel, die niet kan vliegen

Voorbeelden van "struisvogel" in een zin

  • 'Moeder heeft de gewoonte je soms, liefdevol en voor de grap maar toch, een struisvogel te noemen,'zei ze en ze legde haar bestek neer.

Betekenis en uitleg van struisvogel

Een struisvogel is een grote, niet-vliegende vogel die vooral bekend is om zijn lange nek en poten. Deze vogels zijn inheems in Afrika en staan bekend om hun snelheid, waarmee ze zelfs grote roofdieren kunnen ontlopen.

Het woord 'struisvogel' wordt vaak gebruikt in de context van het beschrijven van iemand die de waarheid ontloopt of problemen negeert, vergelijkbaar met de mythe dat struisvogels hun hoofd in het zand stoppen. Het kan ook letterlijk worden gebruikt in gesprekken over dieren of in de natuur. Deze nuance maakt het een veelzijdig woord in zowel serieuze als informele gesprekken.

Voorbeelden

  • Toen het probleem zich bleef opstapelen, besloot hij als een struisvogel te handelen en de feiten te negeren.
  • In de safari zagen we een groep struisvogels rondscharrelen, hun lange poten maakten het voor hen gemakkelijk om snel te rennen.
  • Haar struisvogelmentaliteit hielp haar niet om de situatie op het werk te verbeteren; eerlijkheid was echt nodig.

Woordoorsprong

Het woord 'struisvogel' komt van het Middelnederlands 'struysvogel', waarbij 'struys' verwant is aan het Oudfranse 'estrus', wat 'groot' betekent.

Veelgestelde vragen over struisvogel

Wat is de betekenis van struisvogel?

struisvogel betekent: (loopvogels) , grote loopvogel, die niet kan vliegen

Welk woordgeslacht heeft struisvogel?

struisvogel is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van struisvogel?

Synoniemen van struisvogel zijn: struis.

Hoe gebruik je struisvogel in een zin?

Voorbeeld: “'Moeder heeft de gewoonte je soms, liefdevol en voor de grap maar toch, een struisvogel te noemen,'zei ze en ze legde haar bestek neer.

Etymologie

*van Middelnederlands "voghel struus", , in de betekenis van ‘loopvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Vertalingen

Engelsostrich
Fransautruche
DuitsStrauß
Spaansavestruz
Italiaansstruzzo
Portugeesavestruz
Russischстраус
Japansダチョウ
Koreaans타조
Turksdeve kuşu
Poolsstruś
Zweedsstruts
Deensstruds