studietijd

mannelijk (de)/ˈstydiˌtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tijd in iemands leven dat men studeert
    Hij heeft zijn vrouw leren kennen tijdens zijn studietijd in Groningen.
    Tijdens mijn studietijd was ik wel eens een lang weekend in mijn eentje naar Schiermonnikoog geweest, maar dat was geen onverdeeld succes geweest.
  2. de tijd die een normstudent nodig heeft voor een opleidingsprogramma of deel daar van
    Voor een ECTS-credit heeft de normstudent een studietijd van 28 uur nodig.