stuff

mannelijk (de)/stʏf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaal waarmee je verder kunt werken (meestal in abstracte betekenis)
    Hij wil dingen van ons, om op te schrijven. ‘Geef me stuff! Harde brokken. Mag het ergens over gaan wat ik te schrijven zit? En heren... Wees daarbij wat guller met gevoel, geef me zicht. Wat gebeurt er buiten? Gaan er dingen om in ons verstand?’
  2. informeel (informeel) recreatief gebruikt roesmiddel
    Zij zat in een koffieshop, nou, ik kwam daar elke keer. Gewoon om stuff te kopen.
  3. informeel (informeel) diverse voorwerpen als een geheel opgevat
    Zijn opa en oma helpen Justin om zijn stuff in het museum te krijgen. Onder andere zijn Grammy Award, microfoons, hockey tas en persoonlijke brieven zijn te zien in het museum.

Etymologie

*[2] van Amerikaans Engels "stuff", in de betekenis "drugs" aangetroffen vanaf 1966