stuiten

/ˈstœytə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een beweging tot staan brengen
    De aanval werd door een katachtige duik van de doelman gestuit.
    Hij verliest zijn evenwicht, rent als vanzelf nog een paar meter door en stuit dan op het lichaam van de oude Grisonnier, wiens onverwachte dood het vertreksein was geweest voor deze laatste slachtpartij. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Het was moeilijk om een beleefde manier te vinden om haar woordenvloed te stuiten, ze was buitensporig ambitieus.
  2. erga (erga) door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
    De bal stuitte tegen de muur.
  3. plotseling iets tegenkomen
    Tegen het einde van de dag vonden we de officiële trail weer terug en stuitten we eindelijk op het bord ‘WELCOME IN KENNEDY MEADOWS’.
    Het was altijd een feest als ik op een kleine waterbron recht uit de berg stuitte.

Etymologie

* In de betekenis van ‘tot staan brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1573

Uitdrukkingen

  • tegen de borst stuiten
  • De vooruitgang is niet te stuiten.

Vertalingen

Engelshalt, stop, rebound
Duitsaufhalten, stoppen, stoßen
Spaansatajar, parar