stuiteren

/ˈstœytərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) herhaaldelijk vanaf een bodem kaatsend opspringen
    Een van de knikkers was van de tafel gestuiterd.
    Wanneer een druppel vloeistof op een hard oppervlak valt kan hij terug omhoog stuiteren of uit elkaar spatten.
  2. erga, figuurlijk (erga) (figuurlijk) zich door weerstanden die worden ontmoet schoksgewijs telkens in een andere richting bewegen
    De enige echte oplossing is in de wereld van tijd en plaats het tijdloze te herkennen. Het bijzondere te ontdekken in het gewone. Stil te staan bij het wonder dat het leven is, ook al verloopt ons levensverhaal dan met hobbels en kuilen, stuiteren onze gevoelens alle kanten op en hebben we allerlei gedachten over hoe het zou moeten en kunnen zijn.
  3. inerg, spel (inerg) (spel) met knikkers spelen
    Waren ze aan het stuiteren, wat zij graag deden om een knikker voor elk raak schot, dan pakte hij de stuiters af, omdat zij aan het dobbelen waren en om geld speelden, (…).
  4. ov, basketbal (ov) (basketbal) (over de bal) van de grond laten opspringen terwijl men zich verplaatst
    We moesten van hem heel vaak basketballen. Ons probleem was dat we de bal maar zo’n beetje aan het stuiteren waren en nooit iemand anders bij het spel betrokken.
  5. inerg, figuurlijk (inerg) (figuurlijk) in opgewonden toestand druk of woest bewegen
    Terwijl ik puffend mijn aussie losknoopte zag ik enkele vrienden die toch echt tegen de vijftig liepen nog steeds vrolijk over de dansvloer stuiteren.

Etymologie

**[3] In de betekenis van ‘knikkeren’ voor het eerst aangetroffen in 1706

Vertalingen

Spaansrebotar