stuiteren
/ˈstœytərə(n)/
Wat is de betekenis van stuiteren?
stuiteren betekent: (erga) herhaaldelijk vanaf een bodem kaatsend opspringen
Betekenis
werkwoord
- (erga) herhaaldelijk vanaf een bodem kaatsend opspringen
- (erga) (figuurlijk) zich door weerstanden die worden ontmoet schoksgewijs telkens in een andere richting bewegen
- (inerg) (spel) met knikkers spelen
- (ov) (basketbal) (over de bal) van de grond laten opspringen terwijl men zich verplaatst
- (inerg) (figuurlijk) in opgewonden toestand druk of woest bewegen
Voorbeelden van "stuiteren" in een zin
- Een van de knikkers was van de tafel gestuiterd.
- Wanneer een druppel vloeistof op een hard oppervlak valt kan hij terug omhoog stuiteren of uit elkaar spatten.
- De enige echte oplossing is in de wereld van tijd en plaats het tijdloze te herkennen. Het bijzondere te ontdekken in het gewone. Stil te staan bij het wonder dat het leven is, ook al verloopt ons levensverhaal dan met hobbels en kuilen, stuiteren onze gevoelens alle kanten op en hebben we allerlei gedachten over hoe het zou moeten en kunnen zijn.
- Waren ze aan het stuiteren, wat zij graag deden om een knikker voor elk raak schot, dan pakte hij de stuiters af, omdat zij aan het dobbelen waren en om geld speelden, (…).
- We moesten van hem heel vaak basketballen. Ons probleem was dat we de bal maar zo’n beetje aan het stuiteren waren en nooit iemand anders bij het spel betrokken.
Etymologie
**[3] In de betekenis van ‘knikkeren’ voor het eerst aangetroffen in 1706
Vertalingen
Spaansrebotar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek