stukslaan

/ˈstʏkslan/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) slaan tot iets breekt
    De inbreker had een ruitje stukgeslagen.
  2. ov, spreektaal, figuurlijk (ov) (spreektaal) (figuurlijk) uitgeven van geld voor vermaak
    Aan de bar kon hij op een avond gemakkelijk 200 euro stukslaan.
  3. erga (erga) gebroken raken
    Het schip was op de rotsen stukgeslagen.