kapotslaan

/kaˈpɔtslan/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets beschadigen door het met geweld te raken
    Hij zag de kwajongens het bushokje kapotslaan.
  2. ov, spreektaal, figuurlijk (ov) (spreektaal) (figuurlijk) iemand door lijfelijk geweld met ernstig letsel buiten gevecht stellen
    Als je me aanraakt komt mijn vader je helemaal kapotslaan.
  3. erga (erga) gebroken raken
    Het bootje is door de zware branding kapotgeslagen.