kapotslaan
/kaˈpɔtslan/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets beschadigen door het met geweld te rakenHij zag de kwajongens het bushokje kapotslaan.
- (ov) (spreektaal) (figuurlijk) iemand door lijfelijk geweld met ernstig letsel buiten gevecht stellenAls je me aanraakt komt mijn vader je helemaal kapotslaan.
- (erga) gebroken rakenHet bootje is door de zware branding kapotgeslagen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek