sturen

/ˈstyrə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) de richting bepalen waarin een schip zich voortbeweegt
    De kapitein stuurde behendig rond alle hindernissen.
  2. inerg (inerg) het stuur van een auto bedienen
    Omdat ik nog geen rijbewijs heb, mag ik voorlopig niet sturen.
  3. inerg (inerg) de instructies van een roer of stuur opvolgen
    Kleine wagentjes sturen gemakkelijk; dat is een voordeel in het drukke stadsverkeer.
  4. ov (ov) de richting bepalen waarin [een voertuig] zich voortbeweegt
    De rallyrijder stuurde zijn wagen razendsnel door de bochten.
  5. ov (ov) zorgen dat [een situatie] zich in een bepaalde richting ontwikkelt
    Zijn onverwachte komst stuurde ons plannetje volledig in de war.
  6. ov (ov) zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
    Met één enkele afstandsbediening kon ze alle elektronica bij haar thuis sturen.
  7. ov (ov) [een persoon] ergens heen doen gaan
    De leraar stuurde een van zijn obstinate leerlingen naar huis.
    'Ik kan mijn dokter naar jullie toe sturen, maar Maren vertrouwt die mensen nooit ' Het orgel begint weer te spelen, tonen die over elkaar heen tuimelen en in Nella's oren vreselijk disharmonisch klinken.
    Als reactie op deze epidemie wordt er door steeds meer bedrijven en overheden beleid gemaakt om mensen na een aantal jaar trouwe dienst verplicht op verlof te sturen.
  8. ditr (ditr) zorgen dat [een brief of ander bericht] zijn bestemming bereikt
    Elk jaar stuur ik mijn tante een kerstkaart.
    Ik stuur een brief.
    Ik stuur mijn moeder een brief.
  9. ov, verouderd (ov) ~ tot (verouderd) [een woord of blik] tot iemand richten
    De norse veldheer stuurde een strenge blik tot zijn verzamelde bataljon.

Etymologie

:Helleens: : σταυρός «paal» (: σταυρός «kruis»)

Uitdrukkingen

  • de kat sturen
  • om een boodschap kunnen sturen

Vertalingen

Engelssteer, drive, be at the wheel
Fransconduire, diriger, piloter
Duitsschicken
Spaansgobernar, conducir, manejar