suppoost

mannelijk (de)/sʏˈpost/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die toezicht houdt in bijv. een museum of stadion
    Een suppoost verordonneerde, nadat ze een kaartje hadden gekocht, dat ze de trap af moesten lopen.
    Ze was niet veeleisend wat betreft hun kwaliteit of herkomst. Ze had foto's van Clemenceau, Maurras, Poincaré, Jaurès, Joffre, Briand... Sinds ze haar man had verloren, die het bevel voerde over een groep geüniformeerde suppoosten in het Musée du Louvre, bezorgden grote mannen haar heftige sensaties. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zaalwachter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961