surplacen

/syrˈplɑsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. fietsen (fietsen) zich in evenwicht houden op een stilstaande fiets
    Om te surplacen heb je een goed evenwicht nodig... of zijwieltjes!
  2. wielrennen (wielrennen) zich balancerend laten voortbollen op de fiets zonder te trappen, meestal om de leiding nillens willens op te dringen aan de tegenstander
    Sommige sprinters zijn meesters in het surplacen.
  3. passief zijn, de toestand laten zoals hij is zonder in te grijpen
    Wie failliet gegaan is, kan ofwel surplacen en wegkwijnen in het verleden, ofwel handelen en opnieuw van nul beginnen.

Etymologie

*Denominaal afgeleid van surplace.