taak

mannelijk/vrouwelijk (de)/taːk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een te verrichten werk
    Liesbeth List (1941) zingt Pastorale nog steeds. Noodgedwongen met andere zangers dan Ramses Shaffy. Die hebben de onmogelijke taak om de op 1 december 2009 overleden zanger te doen vergeten. De stem van Shaffy lijkt in Pastorale op die van God zelf. Een zonnegod dan. Zijn woorden verheffen zich boven het aardse en dwingen zijn frêle tegenspeelster het gezicht naar de hemel te richten. {{Aut|Spits, Frits
    `Het is onze taak; zegt de man, terwijl hij op zijn hurken zit, en Sam kan zich niet aan de indruk onttrekken dat je zo voor een hond gaat zitten als je hem wilt ontluizen, 'om de veiligheid van de burgers te garanderen. {{Aut|Grunberg, Arnon
    Iedereen had duidelijke taken, ik moest altijd afwassen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opdracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573

Vertalingen

Engelstask, job
Franstâche, devoir
DuitsAufgabe, Auftrag
Spaanstarea, faena
Italiaanscompito
Poolszadanie
Zweedsuppgift
Deensopgave