taalgebruik

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de manier waarop een taal wordt gebruikt b.v. vulgair, informeel, ongemarkeerd, formeel of archaïsch
    Het geheim van dit lied is dus het taalgebruik van Maaike Ouboter, noem het Ouboteriaans, maar natuurlijk ook de manier waarop ze het zingt. Technisch niet eens perfect, dat geeft ze zelf ook toe, maar wel met een intensiteit en bezieling dat het lijkt alsof ze zelf even de engel wordt waarvan ze heeft gedroomd. {{Aut|Spits, Frits
    En hij had zich voorzien van een taalgebruik dat bijna komisch elegant klonk in de mond van een achttienjarige.
    Eric kon de analyse van de subjectieve aspecten in zoverre volgen dat, in alledaagser taalgebruik, de regeringsleider Kosygin bepaald geen idioot was, maar dat de partijleider Brezjnev zonder twijfel een idioot was, maar helaas ook degene die de hoogste politieke macht in handen had.

Vertalingen

DuitsSprachgebrauch
Spaanslenguaje