taalgevoeligheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate waarin iemand in staat is een nieuwe taal te lerenEen paar lessen Engels in de week is juist goed voor de taalgevoeligheid van leerlingen.
- het talent om heel precies de nuances binnen een tekst te kunnen aanvoelenNadenkend over de heilige gave, las ik een interview (RD 25-1) met de dichter Willem Jan Otten. Wat me daarin trof is dat hij zijn gave van taalgevoeligheid – soms verhevigd opspelend, als een ‘hogedrukgebied’ – voorzichtig verbindt aan de Heilige Geest.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek