taalgevoeligheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand in staat is een nieuwe taal te leren
    Een paar lessen Engels in de week is juist goed voor de taalgevoeligheid van leerlingen.
  2. het talent om heel precies de nuances binnen een tekst te kunnen aanvoelen
    Nadenkend over de heilige gave, las ik een interview (RD 25-1) met de dichter Willem Jan Otten. Wat me daarin trof is dat hij zijn gave van taalgevoeligheid – soms verhevigd opspelend, als een ‘hogedrukgebied’ – voorzichtig verbindt aan de Heilige Geest.