tafelloper

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een smalle lap stof (ongeveer 40-50 centimeter) die ter decoratie in combinatie met een tafelkleed gebruikt wordt
    Een gordijn van harige wol, zijde, katoen, glazen kralen en stukken organza, een tafelloper met meegebreide balletjesketting, of een spiraalvormige bontshawl.
    De kerstballen zijn de winkel nog niet uit of je struikelt alweer over de olijke paashazen, de in vrolijke lentekleuren uitgevoerde tafellopers en servetten en natuurlijk de paaseitjes zelf.