taille
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtɑjə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het middelste deel van het lichaam, middel bet. [B]De broek zit wat strak rond de taille.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘middel van het lichaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1254
Vertalingen
Engelswaist
DuitsTaille, taille
Spaanstalle, cintura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek