tak
mannelijk (de)/tɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een deel van een boom of struik dat aan de stam vastzit en waaraan bladeren groeienZo zegt hij over de schoolmeesters: 'Daarom ga ik nu spreken over diegenen die de mensen wijs schijnen te vinden en die, zoals men zegt, de gouden tak najagen.
- (economie), (organisatiekunde) een aftakking in een denkbeeldige boom (-> bedrijfstak, handelstak, industrietak etc.)De Amsterdamse tak van de partij had zich beklaagd over de slechte huisvesting van de zeeleeuwen.
- (familie) groep van naaste familieleden binnen een stamboomAcht ouders (die de ‘oude takken’ werden genoemd) met tien kinderen tussen de acht en dertien jaar.
- (geologie) afsplitsing van een rivier
Etymologie
* In de betekenis van ‘spruit’ voor het eerst aangetroffen in 1275
Uitdrukkingen
- Met wortel en tak uitroeien — iets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben
- Van de hak op de tak springen — steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben
- kat, kta, t.k.a.
Vertalingen
Engelsbranch
Fransbranche
DuitsAst, Zweig
Spaansrama
Russischветвь
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek