tand

mannelijk (de)/tɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van voedsel
    Heb jij gaatjes in je tanden?
    Ik had geen tand meer in mijn mond.
  2. techniek (techniek) een uit een reeks meestal hoekige of scherpe uitsteeksels aan bepaalde voorwerpen, zoals zagen of tandwielen
    De tanden van een zaag.
    Vraag het aan Gentenaar Geert Claus, uitbater van frituur Emily’s, hoe zwaar het is. Hij legt de laatste meters te voet af, met de fiets aan de hand. ‘Een paar tandjes te weinig, een paar kilootjes te veel.’

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "tant" van Oudnederlands "tant", in de betekenis van ‘uitsteeksel in kaak om mee te bijten’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw

Uitdrukkingen

  • oog om oog, tand om tand
  • De tand des tijdsDe achteruitgang en verwoesting waar alles en iedereen op den duur onder lijdt
  • De tanden laten zienZich heel erg fel verdedigen
  • Een tandje bijstekenExtra je best doen
  • Haar op de tanden hebbenErg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
  • Het mes tussen de tanden hebbenZich keihard voor iets inzetten omdat er heel veel op het spel staat (vaak in de vorm met het mes tussen de tanden)
  • Iemand aan de tand voelenOp een strenge manier ondervragen (oorspronkelijk: de leeftijd en gezondheid van paarden onderzoeken, middels inspectie van het gebit)
  • Met de mond vol tanden staanNiet weten wat je moet zeggen/ergens versteld van staan, vaak in een situatie die dit gênant maakt

Vertalingen

Engelstooth, tooth
Fransdent, dent
DuitsZahn, Zahn, Sägezahn
Spaansdiente
Italiaansdente
Portugeesdente
Russischзуб
Japans
Koreaans이, 이빨
Turksdiş, diş
Poolsząb, ząb
Zweedstand, tand