tand

mannelijk (de)/tɑnt/

Wat is de betekenis van tand?

tand betekent: (anatomie) harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van voedsel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van voedsel
  2. techniek (techniek) een uit een reeks meestal hoekige of scherpe uitsteeksels aan bepaalde voorwerpen, zoals zagen of tandwielen

Voorbeelden van "tand" in een zin

  • Heb jij gaatjes in je tanden?
  • Ik had geen tand meer in mijn mond.
  • De tanden van een zaag.
  • Vraag het aan Gentenaar Geert Claus, uitbater van frituur Emily’s, hoe zwaar het is. Hij legt de laatste meters te voet af, met de fiets aan de hand. ‘Een paar tandjes te weinig, een paar kilootjes te veel.’

Betekenis en uitleg van tand

Een tand is een hard, wit onderdeel in de mond dat helpt bij het malen en snijden van voedsel. Mensen en veel dieren hebben tanden die essentieel zijn voor hun dieet en spijsvertering.

Het woord 'tand' wordt vaak gebruikt in de context van mondgezondheid, bijvoorbeeld bij tandartsbezoeken of het bespreken van gebitsproblemen. Tanden kunnen ook een culturele betekenis hebben, zoals het belang van een mooi gebit in de maatschappij. Daarnaast zijn er verschillende soorten tanden, zoals kiezen en snijtanden, die elk een specifieke functie hebben.

Voorbeelden

  • Na het eten voelde ik een scherpe pijn in mijn tand, dus besloot ik een afspraak bij de tandarts te maken.
  • Haar glimlach werd nog stralender toen ze haar tanden liet bleken voor de bruiloft.
  • De hond had zijn tand verloren tijdens het spelen met zijn nieuwe speeltje.

Woordoorsprong

Het woord 'tand' stamt af van het Oudgermaanse 'tandō', wat verwijst naar het scheuren of snijden, wat de functie van een tand goed beschrijft.

Veelgestelde vragen over tand

Wat is de betekenis van tand?

tand betekent: (anatomie) harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van voedsel

Hoeveel betekenissen heeft tand?

tand heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft tand?

tand is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van tand?

Synoniemen van tand zijn: gebit.

Hoe gebruik je tand in een zin?

Voorbeeld: “Heb jij gaatjes in je tanden?

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "tant" van Oudnederlands "tant", in de betekenis van ‘uitsteeksel in kaak om mee te bijten’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw

Uitdrukkingen

  • oog om oog, tand om tand
  • De tand des tijdsDe achteruitgang en verwoesting waar alles en iedereen op den duur onder lijdt
  • De tanden laten zienZich heel erg fel verdedigen
  • Een tandje bijstekenExtra je best doen
  • Haar op de tanden hebbenErg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
  • Het mes tussen de tanden hebbenZich keihard voor iets inzetten omdat er heel veel op het spel staat (vaak in de vorm met het mes tussen de tanden)
  • Iemand aan de tand voelenOp een strenge manier ondervragen (oorspronkelijk: de leeftijd en gezondheid van paarden onderzoeken, middels inspectie van het gebit)
  • Met de mond vol tanden staanNiet weten wat je moet zeggen/ergens versteld van staan, vaak in een situatie die dit gênant maakt

Vertalingen

Engelstooth, tooth
Fransdent, dent
DuitsZahn, Zahn, Sägezahn
Spaansdiente
Italiaansdente
Portugeesdente
Russischзуб
Japans
Koreaans이, 이빨
Turksdiş, diş
Poolsząb, ząb
Zweedstand, tand