tandholte
vrouwelijk (de)/ˈtɑnthɔltə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) ruimte binnen een gebitselement voor bindweefsel en zenuwen
- (anatomie) gat in het kaakbeen voor een tandwortel
- (techniek) ruimte tussen twee tanden van een tandwiel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek