tang

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op een punt aan elkaar vastzitten en die gedraaid kunnen worden om dingen vast te houden of te knippen
    Zou ik jouw tang even mogen lenen?
  2. scheldwoord (scheldwoord) (f) kwaadaardige, veelal wat oudere vrouw; ook wel gebruikt voor een oude vrouw in het algemeen
    Een tang (van een wijf)Stoett-2238 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2339.phpv2238 www.dbnl.org]
    Wat een ouwe tang is zij!

Etymologie

* Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘kwaadaardige vrouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1862

Uitdrukkingen

  • Als een tang op een varken slaanTotaal niets met het eigenlijke onderwerp te maken hebben; onzin zijn, op niets slaan
  • : tang

Vertalingen

Engelstongs, shrew, vixen
Franstenailles, pince, pinces
DuitsZange
Spaanspinzas, tenaza, alicate
Italiaanstenaglie
Portugeestenaz
Russischсхваты, щипцы
Chinees
Japans挟み, 箸
Koreaans플라이어
Arabischزردية
Turkspense
Poolsszczypce
Zweedstång
Deenstang