targoem

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɑr'ɡum/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vertaling van een deel van de Hebreeuwse Bijbel (Oude Testament) in het Aramees

Etymologie

* : תרגום (targúm) "vertaling"

Vertalingen

Engelstargum
Franstargum