targoem
mannelijk/vrouwelijk (de)/tɑr'ɡum/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vertaling van een deel van de Hebreeuwse Bijbel (Oude Testament) in het Aramees
Etymologie
* : תרגום (targúm) "vertaling"
Vertalingen
Engelstargum
Franstargum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek